Gedachten voor thuis 8 februari
Zout en licht.
Jesaja 58, 7-10; I Korinten 2, 1-5; Matteüs 5, 13-16.
Ik las eens een artikel over de verschrikkingen van de 2e wereldoorlog: dat het grootste gevaar dat de mensheid bedreigt, de onverschilligheid is. Ik moest eraan denken bij het lezen van dit evangelie vandaag. Dat wij pittige mensen moeten zijn, die iets uitstralen: zout en licht moeten we zijn. Dat je christen bent hoeft er niet zo dik boven op te liggen. Zout in het eten zie je ook niet; een beetje zout brengt wel veel smaak. Eigenlijk vraagt Jezus ons soms, onopvallend als zout in het eten, in onze samenleving goed te zijn en goed te doen. En andere keren moeten we licht zijn, en mag best gezien worden dat we christenen zijn. Dan mogen we het licht van ons gelovig denken-en-doen niet verstoppen, niet ‘onder de korenmaat zetten’, maar mag iedereen merken dat we volgeling zijn van Hem die Licht der wereld wordt genoemd. Hoe moet dat dan wel? Dat weet Jezus ons te vertellen: deel je brood met hongerige, bied een thuis aan wie dat zoeken, laat niemand links liggen. Dan zal je licht stralen als de dageraad. Als je van je handen geen vuisten maakt en niet meedoet aan geroddel, dan straal je licht uit en maak je van de nacht een stralende dag. En gelukkig zijn er nogal wat van zulke mensen binnen en buiten de kerken, mensen die bederf tegengaan, die zout der aarde zijn en licht voor hun omgeving. Gelukkig zijn ze er, mensen zoals God ze bedoeld heeft. Maar het mogen er gerust wat meer zijn.