Gedachten voor thuis 18 oktober
Maatschappelijk wel zijn van mensen.
Jesaja 45, 1.4-6; 1 Tessalonicenzen 1, 1-5b; Matteüs 22, 15-21.
Toen bisschop Muskens aandacht vroeg voor de stille armoede in ons rijke land, toen hij liet weten dat arm Nederland niks merkte van de economische groei, dachten veel politici: waar bemoeit deze bisschop zich mee? Daar gaan wij toch over? Ze wilden hem weg uit Den Haag en terug de sacristie in. ’Geef aan de keizer wat de keizer, en aan God wat aan God, toekomt hadden ze ooit gehoord, maar verkeerd begrepen. Dus moesten kerkmensen zich niet met politiek bemoeien, vonden ze. De staat is er voor het maatschappelijke, en de kerk voor het geestelijke leven. Maar wie het evangelie helemaal leest, zal zien dat Jezus zich wel degelijk inzet voor het maatschappelijk welzijn van mensen. Met de Romeinse munt in de hand, die de beeltenis van de keizer draagt zegt Hij: ‘geef aan de keizer wat de keizer toekomt’, en kijkend naar de mensen, die het beeld van God in zich meedragen, zegt Hij: ‘geef aan God wat God toekomt’. Dat wil zeggen: laat mensen als beeld van God tot hun recht komen ..., maar al die mensen dragen de beeltenis van dezelfde God in zich mee en allemaal zijn ze heel verschillende kinderen van dezelfde Vader.