Job 7, 1-4, 6-7. ‘Nachtenlang lig ik te tobben.’

De man Job is geen vreemde uit een voorbij verleden.

Wie immers zijn ogen en hart openhoudt, ontmoet ook nu nog voortdurend mensen die, zoals Job, leven tussen hoop en vrees, en de wanhoop nabij zijn. Denken we daarbij aan zwervers, vluchtelingen en asielzoekers.

Net als bij Job steekt in die ellende de twijfel de kop op, de twijfel aan God, die de lieve Heer wordt genoemd, maar helemaal niet zo lief lijkt te zijn. Samen met Job, net als Jezus zelf trouwens, schreeuwen ze het  wel eens uit: God, mijn God, waarom heb Je me verlaten.

Eeuwig is de vraag: waarom?

Het enige wat ons overblijft, is te doen wat Job ook heeft moeten leren: door alle vragen heen, hopen dat er ooit ergens gerechtigheid zal worden gedaan. Ooit, ergens, zullen alle mensen die onder groot verdriet gebukt gaan, overeind komen en zullen zij die nu terneergeslagen zijn, opstaan!

De komende vasten actie  kunnen wij weer meehelpen de zorgen te verlichten in eigen kring, of verder weg, maar het zijn toch onze naasten.